Overheid en Onderwijs
Overheid is een vorm van gezag: – territorium of grondgebied / territoriaal gezag – hoogste gezag oftewel soeverein gezag – inhoudelijke autoriteit (kerkelijke overheid, militaire overheid) Men spreekt van gemeentelijke, gewestelijke, nationale en provinciale overheid.
In Nederland bestaat de overheid uit een parlementaire democratie:
1. het parlement (de volksvertegenwoordiging)
2. regering met een staatshoofd (koning of de koningin)
3. provinciale staten (gekozen volksvertegenwoordigers in de provincie)
4. Gedeputeerden en Commissaris van de Koningin (bestuurders van de provincie)
5. gemeenteraden (volksvertegenwoordigers in de gemeenten}
6. gemeentebestuurders (wethouders en burgemeester)
7. ook: de waterschappen
De medewerkers van de overheid zijn ambtenaren verantwoordelijk voor beleid (voorbereiden en uitvoeren) en wetgeving (leraren in openbaar onderwijs, militairen, politiemensen)
Bij de overheid werken tienduizenden ambtenaren. Sommigen bereiden beleid en wetgeving voor, anderen voeren beleid uit (politiemensen, militairen, leraren in het openbare onderwijs).
De organisatie van de overheid is vastgelegd in de grondwet en regelt de rechten en plichten van de overheid en van de burgers. Dit geldt ook voor procedures betreffende beslissingen van overheidsorganen. Omgangsregels tussen overheid en burgers is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht.
Het onderwijs (educatie) is gericht op het overbrengen van kennis en vaardigheden met doelen die vooraf zijn vastgesteld op basis van didactieken. Maar ook het overdragen van houding, manieren, normen en waarden is van belang binnen het onderwijs. Er is met name sprake van leren binnen een schoolsituatie (formeel schoolonderwijs). Maar ook buitenschools leren (in de praktijk) is aan de orde.
In het bedrijfsleven en bij de overheid wordt gesproken over cursussen (verkrijgen van kennis) en trainingen (verkrijgen van vaardigheden). Onderwijskunde is de wetenschap over het onderwijs.
Het huidige onderwijs is ontstaan uit het katholieke onderwijs, het protestantse onderwijs en het staatsonderwijs. Scholen in Nederland zijn;
- openbaar
- bijzonder (levensbeschouwelijke, godsdienstige of onderwijskundige achtergrond)
Het onderwijs valt onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
In Nederland is sprake van:
1. volledige leerplicht( van 5 jaar tot en met 16 jaar)
2. gedeeltelijke leerplicht (vanaf 16 jaar tot en met 18 jaar)
Schoolstructuur:
- basisonderwijs oftewel primair onderwijs (PO)
- voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo (atheneum, gymnasium), leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs)
- middelbaar beroepsonderwijs (mbo)
- hoger beroepsonderwijs (hbo) en universiteit (wo)
- speciaal onderwijs (LOM , ZMLK, ZMOK)*
- volwassenenonderwijs / volwasseneneducatie (moedermavo)
* Vormen van speciaal onderwijs:
Cluster 1: gehandicapte kinderen (visueel) / meervoudig gehandicapte kinderen
Cluster 2: dove kinderen (ook slechthorende)of kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden
Cluster 3: gehandicapte kinderen (lichamelijk), zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) en langdurig zieke kinderen (chronisch) met lichamelijke handicap
Cluster 4: zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK), langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
Specifieke vormen van onderwijs zijn afstandsonderwijs (waaronder schriftelijk onderwijs), competentiegericht, dalton, DBSO deeltijd, democratisch onderwijs, explorintonderwijs, freinetschool, gemeenshapsonderwijs, gisdo, iederwijs, jenaplan, klassikaal, modulair onderwijs, montessori, provinciaal onderwijs, stedelijk onderwijs, sudbury school, vrije school, vrij gesubsidieerd katholiek onderwijs, wereldscholen.